Namaakkunstgeschiedenis

 

(Bezig zijn met onderwerpen)

De catalogus van een doorsnee Italiaans reproduktiebedrijf uit de jaren 70 van de 20ste eeuw, is voor mij een grote inspiratiebron geweest voor het maken van schilderijen.

Ik had het idee dat het boekje iets uitlegde over kijkgedrag en onderwerpen. Wat willen mensen graag aan de wand zien en vooral ook, wat willen ze niet zien?

Wat mensen zo al aan hun wand hangen kan van alles zijn. Schilderijen kunnen zijn als een goede vriend die óók eens een keertje langskomt als je ziek bent. Soms speelt gewoonte ook een rol. “Hang het nou maar op want dan hangt er wat”. Hoe is het mogelijk dat sommige onderwerpen zo mateloos populair zijn en blijven ? Om onduidelijke redenen fascineert mij dat. Zeestukken, zonsondergangen, landschappen (in Engeland jachttaferelen), stadsgezichten of straattaferelen. .Onderwerpen met een hoog romantisch gehalte en non-controversieel.

De eerste keer dat ik door deze catalogus bladerde las ik de inhoud als een spontane herschrijving van de officiële kunstgeschiedenis. Een soort namaakkunstgeschiedenis.
Alles leek erger door elkaar te staan dan ik zelf had kunnen verzinnen. De méést uiteenlopende schilderijen van allerlei komaf, van alle tijden en allerlei stijlen staan zomaar broederlijk en onbekommerd door elkaar. De Mona Lisa naast zigeunermeisjes, kitsch-naakten van een zekere Parisi naast werken van Renoir.

De afgebeelde werken kun je makkelijk onderverdelen in “archetypische” beeldcategoriëen zoals: het Engelse jachttafereel, het zigeunermeisje, het steigerende paard, de Constable-landschapjes. Zij stonden naast de evergreens uit de officiële kunstgeschiedenis zoals bijv. :de Mona Lisa , de van Goghs en de Impressionisten.
Ik fantaseerde dat namaakkunsthistorici ook aan deze herschreven namaakkunstgeschiedenis weer artistiek inhoudelijke systemen en hiërarchieën zouden ontlenen en dat tegelijkertijd de kunstenaars ook weer de behoefte zouden kunnen voelen om dit allemaal weer te willen deconditioneren of demonteren, kortom een behoefte aan het juist weer ontsnappen aan die systemen.

Het was dus in 1988 dat ik door die catalogus bladerde en de fantasie kreeg over die "namaakkunstgeschiedenis" en toen bedacht ik dat het misschien een aardig idee was om zelf een eigen soort van namaakkunstgeschiedenis bij elkaar te schilderen.
Ik stelde een lijst op van al die beeldcategorieen en vervolgens maakte ik van elk beeldtype een paar exemplaren, maar dan wel op mijn manier. De Straatscènes werden "Balletje-balletje",de Stadsgezichten Torenportretten van Amsterdam, en de Zonsondergangen werden geschilderd vanuit een auto.

De stadsgezichten zoals de “Montelbaenstoren” zijn geschilderd niet vanuit het sentiment, noch vanuit een anti-sentiment, maar vanuit een “beschadigd sentiment”. Het torentje was niet alleen populair onder kunstenaars, maar ook onder koekblikkenmakers, borduurders en eigenlijk iedereen.De te vele afbeeldingen zijn hem fataal geworden. Slachtoffer van zijn eigen succes. Je blik op het torentje nu is dan ook bij voorbaat “beschadigd”. Je kunt er niet meer naar kijken zonder even al die koekblikken en borduursels weg te denken. En zo werd het weer een uitdaging om het sentiment zo helder mogelijk weer te geven.

Bij de uitvoering van elk werk bleef ik noodzakelijkerwijze bewust heel dicht bij het beeldtype, terwijl ik het ook van mezelf wilde laten zijn.. Naar mijn idee is de suggestie (van een nieuwe artistieke verantwoording) dan het sterkst.
Al mijn schilderijen tezamen zou je dus kunnen zien als een reproduktie-catalogus van werken uit een gefantaseerde kunstgeschiedenis. En het achterliggende idee van zulk een reproduktie-catalogus is een esthetische en een mentale leidraad geweest. En mijn toetssteen.

De schilderijen staan echter uiteindelijk wel altijd op zichzelf. Ieder afzonderlijk schilderij heeft zijn eigen picturale verhaal. Bij een tentoonstelling in een galerie is het aspect dat mijn doeken onderdeel uitmaken van die reprodukte-catalogus vaak niet direct zichtbaar.